wp2139291b.png
wp687f87e6.png
wp9956e175_1b.jpg
wp8e6ffa02.png
wpf59dd005.png

De geschiedenis van de Srebrenica-enclave

Ten noordoosten van Sarajevo, op een afstand van ongeveer 90 kilometer, ligt het oord Srebrenica. Vroeger een rustig stadje; redelijk modern gebouwd rond een kleine kern van oude huizen. Het vond zijn bestaansrecht in de nabijgelegen bronnen - die een soort kuuroord vormden - en een kleine industrie. Deze industrie bestond voornamelijk uit een meubelfabriek, een marmerfabriek en een weverij. Het inwonertal van het oord Srebrenica was voordat het conflict begon, ongeveer zesduizend zielen. De moslims waren het sterkst in aantal vertegenwoordigd.

 

Ongeveer vier kilometer te noorden van Srebrenica ligt Potocari. Potocari heeft een kleine kern rond een driesprong, met een lintbebouwing naar het westen. In het oord was lichte industrie gevestigd. Een betonfabriek, een machinefabriek en een accufabriek. Ook bevond zich hier een busremise. De enclave Srebrenica had zich gevormd rond de plaats Srebrenica en had een rondachtige vorm van ongeveer veertien bij zestien kilometer. Naast Srebrenica en Potocari als belangrijkste oorden bevonden zich nog een aantal kleine tot zeer kleine dorpen in de enclave. De enclave werd omringd door bergachtig gebied. In het noorden bevonden zich grote heuvels. Het hoogste zijn de toppen Lisina en Jabuco. Oostelijk van de enclave bevonden zich bergtoppen oplopend tot duizend meter en het terrein is bebost. De zuidelijk begrenzing werd gevormd door een bergachtig terrein met schitterende vergezichten. De berg Kak maakte daar deel van uit. Het westelijke deel werd beheerst door steile en kale bergkammen en beduidend minder begroeiing. De enclave zelf was sterk geaccidenteerd. Er was bebossing, afgewisseld met wat landbouwgrond en boomgaarden.

Het wegennet in de enclave werd gevormd door een doorgaande weg van OP Pappa - een observatiepost in het noorden die ook wel de deur van de enclave werd genoemd - naar OP Echo in het zuiden van de enclave. Deze weg liep door de oorden Potocari en Srebrenica. Van Srebrenica liep naar het oosten een redelijk verharde weg langs de vuilnisbelt naar OP Romeo. Voor het overige waren de wegen half verhard tot onverhard en hun begaanbaarheid was sterk afhankelijk van de weersinvloeden.

In de opstina, zeg maar het gemeentehuis, was het enclavebestuur werkzaam. De opstina was wat taken betreft vergelijkbaar met een gemeentebestuur bij ons. De belangrijkste personen waren de president en de vice-president. Het presidentiële ambt had een meer representatieve functie, de uitvoerende macht lag bij de vice-president. Bijna alle bestuurlijke functies waren verdeeld over mensen die zich in de oorlog hadden onderscheiden. De moslimpolitie was de enige groepering die gewapend mocht zijn. Ongeveer 60 agenten waren daadwerkelijk uitgerust met een pistool.

 

Tot het midden van de jaren tachtig leefden moslims (60 à 70%) en Bosnische Serviërs (30 à 40%) vreedzaam naast elkaar in de twee kantons Srebrenica en Bratunac. Na de dood van Tito ontstonden allerlei partijen. De meesten waren gebaseerd op etnische afkomst en weerspiegelden sterke nationale gevoelens. In Oost-Bosnië vormde de Servische bevolking de minderheid en voelde zich bedreigd toen de moslimpartijen de overhand begonnen te krijgen in allerlei lokale besturen. Milosovic speelde daar handig op in en begon zijn Groot-Servische gedachte uit te dragen. Mede hierdoor bekoelden de onderlinge verhoudingen en greep men steeds meer terug naar het verleden.
Gebeurtenissen uit dat verleden werden weer opgerakeld en er volgden felle discussies over recht en onrecht. De Bosnische regering geloofde nog steeds, ondanks de oorlog in Slovenië en Kroatië, dat ze buiten de strijd kon blijven. De Bosnische Serviër Karadzic was ondertussen door Milosovic als leider naar voren geschoven. Karadzic begon vervolgens, met hulp van Servië, zijn mensen van wapens te voorzien. Door de afwachtende en passieve houding van het toenmalig moslimbestuur waren de enige bewapende moslims de politie en wat jagers.

 


 

Etnische tegenstellingen

Begin april 1992 verscheen er in Bratunac, tien kilometer ten noorden van Srebrenica, een militaire eenheid die bestond uit Bosnische Serviërs. De eenheid was goed bewapend, voornamelijk met materieel van het voormalig Joegoslavische leger. Gelijktijdig arriveerden er verschillende militante para-militaire Servische groeperingen, die de moslims gingen intimideren. Ze trachtten de moslim-politieagenten te ontwapenen. Er werden woongebieden gescheiden in moslim- en Servische delen en er werden steeds meer moslims volkomen willekeurig opgepakt.
Ook in Srebrenica trachtte men dergelijke acties uit te voeren. Het ontwapenen van politie-agenten mislukte daar echter, omdat de agenten zich in de bergen verschuilden. De mensen realiseerden zich echter maar al te goed dat zij de oorlog niet konden ontlopen. Vele inwoners van Srebrenica trokken naar Tuzla. Hieronder bevonden zich het vrijwel voltallige lokale bestuur en andere belangrijke openbare bestuurders. Naast de moslims vertrokken ook vele Servische bewoners. Sommigen om zich aan te sluiten bij de Servische eenheden, anderen omdat ze niet betrokken wilden worden bij de strijd tegen hun buren. Een aantal Servische bewoners bleef achter om, net als in Bratunac, hun wil op te leggen aan de overwegend uit moslims bestaande bevolking.

 


 

Het ultimatum en de strijd

De Bosnische Serviërs gingen door met hun intimidatie-praktijken. Ze stelden een ultimatum aan de moslims in Srebrenica, wat inhield dat die hun wapens moesten inleveren. Op 18 april 1992 om tien uur ‘s ochtends zou dit ultimatum aflopen. De volgende dag vond vanuit de omgeving van Bratunac de eerste mortierbeschieting gericht op Potocari plaats. Vele bewoners waren echter al gevlucht. Ook enkele kleine dorpen in de omgeving werden beschoten.
Vlak na de eerste beschieting trok vanuit Bratunac de para-militaire groep ‘Arkonovic’ Potocari binnen en begon huizen te plunderen. Ze sloegen voor de nacht hun bivak op in de profielenfabriek. Maandag 20 april 1992 viel een groep van zeventien gewapende moslims, onder leiding van Naser Oric, de groep Arkanovic aan. Hierbij werden dertien Serviërs gedood en een aantal wapens en voertuigen buitgemaakt. Diezelfde avond trokken drie op wraak beluste groepen van 50 à 60 Serviërs vanuit Bratunac Potocari binnen. Zij wilden wraak nemen op de moslims vanwege de geleden nederlaag en waren op zoek naar Naser Oric. Deze was echter met zijn mensen en het buitgemaakte materieel de bergen ingetrokken.
Ook de nog overgebleven bewoners van Potocari vluchtten om wraak te ontlopen. Als genoegdoening werden toen de busremise, de vrachtwagengarage en een aantal huizen in brand gestoken. Vanaf dat moment tot ongeveer 10 mei 1992 werd Srebrenica stelselmatig onder vuur genomen. Verschillende para-militaire Servische groeperingen kwamen de lokale Serviërs ondersteunen in hun poging om Srebrenica in te nemen. Regelmatig plunderden zij het stadje, vaak met behulp van de in de stad nog achtergebleven Servische bewoners. Hierdoor trokken steeds meer mensen de heuvels in.

 

De uiteindelijke ‘slag om Srebrenica’ vond op 6 en 7 mei 1992 plaats. Het was geen groots opgezet militair offensief, maar meer een ongecontroleerde strijd tussen bewapende moslims en Serviërs, die zich hoofdzakelijk afspeelde in de omgeving van het Turkse Fort. De Serviërs hadden het voordeel van vuursteun van het voormalig Joegoslavische Leger (JNA) vanuit de omgeving van Bratunac en Zalazje. Een van de Servische milities, deel uitmakend van de radicale Servische Partij (SDS), werd geleid door de voormalig rechter Goran Zekic van Srebrenica.
Deze Goran was een van de belangrijkste veroorzakers van de etnische tegenstellingen in de regio. Op 8 mei woonde hij op het kerkhof in de buurt van het sportstadion de begrafenis bij van een omgekomen medestrijder. Op bevel van Naser Oric legden drie moslimstrijders een hinderlaag. Bij terugkeer naar het hoofdkwartier liep Goran Zekic bij de huidige vuilstortplaats in de hinderlaag en werd gedood. Hierbij kwam ook een van de drie overvallers, een zeventienjarige moslimstrijder, om het leven. De Serviërs waren geschokt door de dood van Goran Zekic en raakten in paniek. Ze trokken zich volledig terug uit Srebrenica en vanaf die dag was Srebrenica volledig in handen van de moslims. Maar de wraak van de Serviërs was verschrikkelijk. In de sportzaal werden honderden moslims, voornamelijk mannen, op beestachtige wijze vermoord.

 


 

Uitbreiding Moslimgebied

Naser Oric besloot om van de verwarring van de Serviërs gebruik te maken om de dorpen in de omgeving te veroveren. Voordat het echter tot gevechten kwam tekende het Servische dorp Cimanici een loyaliteitsverklaring en gaf al z’n wapens aan Naser. Dit dorp werd dan ook ongemoeid gelaten. Naser sloot een overeenkomst met twee andere moslimstrijdgroepen. De leiders hiervan waren Hakija Meholic en Zulfo Tursunovic. Zulfo was een ex-gevangene en zijn macht was gebaseerd op angst van de bevolking voor het Bosnisch Servische leger, de BSA.
De verhouding tussen Naser en Hakija was niet goed. Ze hadden vaak ruzie en Naser beschuldigde Hakija van lafheid. Toch richtte Naser met deze mannen de territoriale verdediging van Srebrenica op. Omdat Naser in vroeger tijden een uitstekende opleiding bij de anti-terreureenheid van het voormalige Joegoslavië had gekregen, beheerste hij veel bruikbare gevechtstechnieken. Veelvuldig verplaatste hij zijn troepen en bracht daardoor de Serviërs in verwarring. Ook maakte hij gebruik van de Servische angst voor Mujahedin-strijders en liet zijn strijders regelmatig vermommen als Mujahedin. Ondanks de onderlinge meningsverschillen lukte het Naser om een overeenkomst te sluiten met de verschillende moslimstrijdgroepen. Hij verenigde zijn eigen groep met die van Zulfo, Hamdija en Hakija tot één strijdgroep. Hierdoor lukte het Naser om steeds meer gebied te veroveren op de Serviërs in Oost-Bosnië.
Zijn handelwijze om vooral op Servische feestdagen dorpen te overvallen, was succesvol. Menig dorp werd bij deze overvallen totaal vernietigd en veel Serviërs kwamen hierbij om het leven. Een voorbeeld is het dorp Zalazje. Op 12 juli 1992 zijn hier door de verenigde moslimstrijdgroepen onder leiding van Naser een groot aantal Serviërs gedood. Het lukte Naser bijna om aansluiting te krijgen met de moslims in Midden-Bosnië. Het mislukte echter omdat de commandant van het 2e Korps BiH (het Bosnische moslimleger), de Kroatische generaal Zeljko Knezer, weigerde om een offensief vanuit Tuzla te starten.


 

Keerpunt in de strijd

De succesvolle opmars van Naser eindigde door een tactische fout. Hij verzuimde Bratunac in te nemen en miste daarmee de kans om een belangrijke aanvoerweg te beheersen. In plaats daarvan probeerde hij bij Skelani de Serviërs de Drina in te drijven. Dit offensief was succesvol; binnen enkele dagen na het begin van de aanval stonden de moslimstrijders op de brug over de Drina bij Skelani. De Bosnische Serven lanceerden ondertussen een tegenoffensief.
Uit verschillende delen van Bosnië werden versterkingen aangevoerd om een tegenaanval uit te voeren. De republiek Servië steunde dit offensief met artillerie en vliegtuigen. De Bosnische Serviërs werden gesteund door huurlingen uit Rusland en Hongarije. De aanval startte op 20 januari 1993 en was succesvol. De moslims werden, vooral door een inzet van een overmacht aan zware wapens, op alle fronten teruggedreven en leden ernstige verliezen. Eerst verloren de moslims de plaats Kamenica, vervolgens Cerska en Konjevic Polje. Door de opmars van de Serviërs kwam er ook een grote vluchtelingenstroom richting Srebrenica op gang. Uiteindelijk werden de moslims teruggedreven naar het gebied dat de enclave omvatte en kwam Srebrenica onder zware artillerie-beschietingen en bombardementen te liggen. Deze beschietingen duurden tot 6 mei 1993 en stopten na de komst van de Franse generaal Morrillon. Staande op het dak van het PTT-gebouw van Srebrenica vroeg hij via de tv-camera’s om wereldwijde aandacht voor de moslims in de door Serviërs omsingelde enclave.
De Verenigde Naties besloten de enclave tot veilig gebied te verklaren en te demilitariseren. Hierdoor werd toen voorkomen dat de Serviërs Srebrenica van de kaart zouden vegen. De Verenigde Naties stuurden een Canadese Unprofor-eenheid om toezicht te houden op de naleving van het mandaat.

wpcfc74997_1b.jpg
wp98d1f646_1b.jpg